ECLI:NL:CRVB:2010:BN8780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhaving loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen tijdens wachttijd
Appellante stelde zich op het standpunt dat de werknemer gedurende de wachttijd volledig arbeidsongeschikt was en dat re-integratie-inspanningen daarom niet nodig waren. Het UWV verlengde de wachttijd met 52 weken vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen, hetgeen appellante betwistte.
De Raad overwoog dat uit verzekeringsgeneeskundige rapporten bleek dat de werknemer, ondanks beperkingen, wel benutbare arbeidsmogelijkheden had. De bedrijfsarts had geadviseerd dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was, maar dit oordeel werd door de Raad niet gedeeld. Ook het argument van appellante dat een arbeidsconflict was opgelost, maakte volgens de Raad niet dat re-integratie-inspanningen achterwege konden blijven.
De Raad stelde vast dat appellante onvoldoende activiteiten had ontplooid om re-integratie te bevorderen, zowel in het eerste als tweede spoor. Het verzoek van de advocaat van de werknemer om tijdelijk geen contact op te nemen, betrof slechts een beperkte periode en maakte de tekortkomingen niet ongedaan.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Dordrecht, en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de handhaving van de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van appellante.