ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Opleggen en weigering verkorten loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het opleggen van een loonsanctie van 52 weken aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vernietigde. De werkgever had volgens het UWV onvoldoende inspanningen verricht om de werkneemster, die wegens ziekte niet meer geschikt was voor haar eigen werk, te re-integreren in passend ander werk (tweede spoor).
De rechtbank had geoordeeld dat de werkgever mocht afgaan op het medisch oordeel van de bedrijfsarts en dat er onvoldoende grond was om te twijfelen aan diens adviezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders en stelt dat het voor de werkgever duidelijk had moeten zijn dat de re-integratie-inspanningen gericht moesten zijn op het tweede spoor, omdat de werkneemster al in september 2005 ongeschikt was voor haar eigen functie.
Ook het verzoek van de werkgever om de loonsanctie te verkorten werd door de Raad afgewezen, omdat de tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen niet waren hersteld. De Raad overweegt verder dat de procedure in de bestuurs- en rechterlijke fase langer dan de redelijke termijn heeft geduurd en heropent het onderzoek naar een eventuele schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding.
De uitspraak bevestigt de verantwoordelijkheid van de werkgever voor adequate re-integratie en benadrukt dat het volgen van de bedrijfsarts niet vrijwaart van eigen verantwoordelijkheid. De loonsanctie blijft gehandhaafd en het verzoek tot verkorting wordt afgewezen.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken blijft gehandhaafd en het verzoek tot verkorting wordt afgewezen.