ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie bij niet afgerond tweede spoor re-integratietraject
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), had een loonsanctie opgelegd aan betrokkene wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De loonsanctie werd verlengd met 52 weken na afloop van de normale wachttijd van 104 weken. Betrokkene voerde bezwaar aan en stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit tot niet-bekorting van de loonsanctie vernietigd, omdat volgens de rechtbank het enkele feit dat geen van de te verwachten resultaten was bereikt niet voldoende was om de loonsanctie niet te bekorten.
In hoger beroep stelde appellant dat het op de weg van betrokkene als werkgever ligt om aan te tonen dat de tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen zijn hersteld, wat onder meer inhoudt dat een adequaat tweede spoor traject is afgerond. De Raad oordeelt dat het niet afronden van het tweede spoor traject op het moment van het verzoek om bekorting van de loonsanctie een rechtvaardiging is voor het niet bekorten van de loonsanctie. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie van de Raad en de beleidsregels poortwachter.
De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing bevestigt de inspanningsverplichting van de werkgever en het belang van een afgerond re-integratietraject in het tweede spoor voor de beoordeling van loonsancties.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.