ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- O.L.H.W.I. Korte
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij vaststelling bijstand en wederzijdse zorg
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande met toeslag. Na een anonieme melding startte de gemeente een onderzoek naar vermeende samenwoning met haar ex-partner, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding.
In hoger beroep stelde appellant dat uit de verklaring van betrokkene blijkt dat zij haar hoofdverblijf bij haar ex-partner had en dat er wederzijdse zorg was. De Raad toetste dit aan objectieve criteria en het wettelijke criterium van wederzijdse zorg, waarbij financiële verstrengeling en zorg voor elkaar centraal staan.
De Raad concludeerde dat betrokkene slechts tijdelijk verbleef bij haar ex-partner vanwege medische redenen en dat er geen financiële verstrengeling of wederzijdse zorg was, omdat alleen de ex-partner zorgde. Daarom was er geen gezamenlijke huishouding en was de intrekking van de bijstand onterecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep van appellant af.