ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.J.M. Heijs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekening en overschrijding vermogengrens
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder vanaf augustus 2004. Uit een onderzoek bleek dat zij sinds juli 2005 een niet opgegeven bankrekening had met een tegoed dat de vrij te laten vermogensgrens overschreed. Het College trok de bijstand met ingang van juli 2005 in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug.
Appellante voerde aan dat het grootste deel van het tegoed een lening van haar moeder betrof voor de aanschaf van een nieuwe inboedel na een brand, en dat een deel van het tegoed een schadevergoeding was. Zij stelde dat deze bedragen niet tot haar vermogen behoorden. De Raad oordeelde dat appellante niet slaagde in de bewijslast om dit aannemelijk te maken, mede vanwege tegenstrijdigheden in haar verklaringen en het ontbreken van verifieerbare gegevens over de aanwending van de schadevergoeding.
De Raad bevestigde dat het College het tegoed terecht tot het vermogen rekende en de terugvordering juist berekende. Wel vernietigde de Raad het besluit van het College voor zover het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand werd afgewezen, en veroordeelde het College tot vergoeding van deze kosten. Tevens werden de proceskosten van appellante toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en het College wordt veroordeeld tot betaling hiervan; de intrekking en terugvordering van bijstand blijven in stand.