ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9422
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO/AAW-uitkering wegens onvoldoende toename arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het Uwv om hem een WAO/AAW-uitkering toe te kennen, waarbij het Uwv stelde dat appellant bij aanvang van de verzekering gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat er geen sprake was van een toename van de arbeidsongeschiktheid met ten minste 15% gedurende de wachttijd.
De Centrale Raad van Beroep heeft het geschil uitvoerig onderzocht, waarbij onder meer medische en arbeidskundige rapportages zijn betrokken. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen wezenlijke verschillen in beperkingen waren tussen het begin van de verzekering en het einde van de wachttijd. De bezwaararbeidsdeskundige stelde dat appellant geschikt was voor de functie van inpakker, zowel bij aanvang als bij het einde van de wachttijd, en dat er geen sprake was van verlies van verdiencapaciteit.
De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep heeft de Raad het oordeel van de rechtbank bevestigd en overwogen dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn medische situatie wezenlijk is gewijzigd of dat hij in zijn verdediging is geschaad. De Raad concludeert dat de weigering van de uitkering terecht is en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO/AAW-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid.