ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongeschiktheid voor arbeid en recht op ziekengeld volgens Ziektewet en Wet WIA
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 12 februari 2007 vernietigde.
De kern van het geschil is of betrokkene op die datum ongeschikt was voor zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, zoals bedoeld in artikel 19 van Pro de Ziektewet. Volgens vaste jurisprudentie wordt onder 'zijn arbeid' verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid vóór ziekmelding, tenzij betrokkene na de wachttijd blijvend ongeschikt is voor die arbeid en niet in enig werk is hervat; dan geldt de maatstaf van functies geselecteerd bij de beoordeling van aanspraken op een WIA-uitkering.
De Raad concludeert dat betrokkene geschikt was voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling waren geselecteerd, zoals productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie en machinebediende voedingsmiddelenindustrie. Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene niet aan de belastbaarheidseisen van deze functies voldeed. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en er zijn geen relevante medische stukken die het tegendeel bewijzen. Daarom was het besluit tot beëindiging van het ziekengeld terecht.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 12 februari 2007 blijft in stand.