ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als meewerkend echtgenote in een sporthal, ontving sinds 1996 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die vanaf 1998 werd voortgezet als WAZ-uitkering. Deze uitkering was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.
Het UWV trok de WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2003 in, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg. Tevens werd over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 mei 2009 een bedrag van € 32.964,35 teruggevorderd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat eerdere vaststellingen van het UWV haar recht op uitkering bevestigden.
De Raad oordeelde dat appellante haar verplichting om wijzigingen in inkomsten tijdig te melden niet is nagekomen. De jaarstukken werden laat ingediend en uit onderzoek bleek dat zij sinds 1 januari 2003 inkomsten had die niet overeenkwamen met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de uitkering en de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag, en wees de beroepen af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAZ-uitkering vanaf 1 januari 2003 en de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.