ECLI:NL:CRVB:2011:BR0461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en ontvankelijkheid bij indicatiebesluit pleegzorg onder Wet op de jeugdzorg
Appellante, grootmoeder van een onder toezicht gestelde minderjarige, maakte bezwaar tegen het niet eerder stellen van een indicatie voor pleegzorg door BJZ. De kinderrechter als bestuursrechter verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het indicatiebesluit valt onder artikel 8:5, lid 1, onderdeel H, onder 3, van de Awb, waartegen geen bezwaar of beroep mogelijk is.
De Raad bevestigt de bevoegdheid van de Centrale Raad van Beroep om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de kinderrechter. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever dubbele procedures wil voorkomen door bezwaar en beroep tegen indicatiebesluiten uit te sluiten. De civiele rechter toetst de rechtmatigheid van het indicatiebesluit in een aparte procedure.
Appellante stelde ook dat de situatie van verblijf van de minderjarige bij haar een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 BW Pro is, waartegen bezwaar mogelijk zou zijn. De Raad oordeelt dat ook tegen een dergelijke aanwijzing geen bezwaar of beroep mogelijk is volgens de Awb.
De Raad verklaart het bezwaar terecht niet-ontvankelijk en wijst het hoger beroep af. Tevens wijst de Raad het verzoek tot schadevergoeding af en ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het indicatiebesluit pleegzorg wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.