ECLI:NL:CRVB:2011:BR0776
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- J.Th. Wolleswinkel
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Geen recht op extra pensioenvergoeding voor doorwerkende rechters na 64 jaar en 11 maanden
Appellanten, rechterlijk ambtenaren geboren vóór 1950, verzochten om een vergoeding ter compensatie van het pensioen nadeel (het 'Vendrikeffect') dat zij ondervinden door door te werken na de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden. De besturen van rechtbanken en gerechtshoven wezen deze verzoeken af op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).
De Raad oordeelt dat de besturen ten onrechte meenden niet bevoegd te zijn om op grond van artikel 46 Wrra Pro tegemoetkomingen te verlenen. De motivering van de afwijzing was onvoldoende en daarom vernietigt de Raad de bestreden besluiten. Tegelijkertijd laat de Raad de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand, omdat de inhoud en toepassing van de pensioen- en FPU-regelingen buiten de invloedsfeer van de besturen liggen.
De Raad overweegt dat de pensioenval voortvloeit uit bindende wettelijke regelingen en dat het niet aan de besturen is deze gevolgen individueel te compenseren. Ook acht de Raad zich niet bevoegd om de pensioenregelingen te toetsen aan Europese richtlijnen of de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.
De Raad veroordeelt de besturen tot vergoeding van de proceskosten aan appellanten en bepaalt dat de besturen het betaalde griffierecht vergoeden. De verzoeken om positieve beslissingen op de compensatieverzoeken worden afgewezen, waarmee de pensioenregeling ongewijzigd blijft.
Uitkomst: De bestreden besluiten worden vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de besturen worden veroordeeld tot proceskostenvergoeding.