ECLI:NL:CRVB:2011:BR1092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake herziening toeslag één-oudergezin bij tijdelijk gescheiden samenwoning
Betrokkene ontving vanaf augustus 2006 een basisbeurs inclusief toeslag voor een één-oudergezin. Na controle besloot de appellant de toeslag over de periode augustus 2006 tot april 2009 te herzien en voor de toekomst te weigeren, omdat betrokkene sinds juli 2005 gehuwd was en niet aan de voorwaarden voldeed.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot vanwege een feitelijk beletsel om samen te wonen, en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond. De minister ging hiertegen in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de tijdelijke niet-samenwoning in Nederland niet betekent dat samenwoning elders niet mogelijk was, waardoor de verbreking van de samenwoning als eigen keuze moet worden beschouwd. Er was geen sprake van een door geen van beide echtelieden gewilde toestand die de voortzetting van de echtelijke samenleving daadwerkelijk belette. Het beroep van de minister werd gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Verder oordeelde de Raad dat geen strijd met het EVRM of IVBPR bestond en dat betrokkene geen recht had op een partnertoeslag omdat haar partner niet rechtmatig in Nederland verbleef. Het beroep tegen het besluit van 1 februari 2010 werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.