ECLI:NL:CRVB:2011:BR2754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand over de periodes november 2006 tot maart 2007 en juni tot augustus 2007. Op basis van informatie van de Belastingdienst en internetgegevens ontstond het vermoeden dat zij in het buitenland verbleef, een stichting bezat en een verzwegen bankrekening had. Na onderzoek door de gemeente ’s-Gravenhage werd appellante verzocht documenten te overleggen over haar autobezit, bankrekeningen en waardevolle violen, maar zij kwam hier niet aan tegemoet.
Het College trok de bijstand in wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellante geen volledige gegevens over haar bankrekeningen had verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellante in hoger beroep betwistte. Zij voerde aan dat zij wel aan haar verplichtingen had voldaan en dat zij onheus was behandeld door een medewerker, wat haar gezondheid zou hebben geschaad.
De Raad concludeerde dat appellante niet alle relevante bankrekeningen had opgegeven, waaronder een rekening bij Van Lanschot Bankiers en een internetspaarrekening bij SNS bank. De verstrekte bankafschriften boden onvoldoende inzicht in het gebruik van deze rekeningen. Hierdoor kon het College het recht op bijstand niet vaststellen en was intrekking gerechtvaardigd. De klacht over de behandeling door de medewerker leidde niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.