ECLI:NL:CRVB:2011:BR3061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- E.J.M. Heijs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand voor perioden voorafgaand aan verblijfsvergunning
Appellanten vroegen bijstand naar de norm voor gehuwden over twee perioden voorafgaand aan de datum waarop een verblijfsvergunning werd verleend. De bijstand was toegekend vanaf 15 juni 2007, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van appellante. De rechtbank had het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van bijstand voor de eerdere perioden ongegrond verklaard, maar het beroep vernietigd vanwege een bevoegdheidsgebrek, met behoud van de rechtsgevolgen.
In hoger beroep betoogden appellanten dat zij reeds vóór 15 juni 2007 tot de kring van rechthebbenden behoorden en dat de Koppelingswet niet op hen van toepassing was, waardoor zij recht zouden hebben op bijstand over de eerdere perioden. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het standpunt van appellanten geen bijzondere omstandigheid vormt die bijstandsverlening vóór 15 juni 2007 rechtvaardigt. Bovendien lag het op de weg van appellanten om eerder een aanvraag in te dienen of bezwaar te maken tegen de bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bijstand voor de perioden vóór 15 juni 2007 wordt bevestigd.