ECLI:NL:CRVB:2011:BR3330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld wegens niet tijdig aanleveren noodzakelijke gegevens
Appellant diende op 16 april 2010 een aanvraag om bijstand in bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Het College verzocht appellant om aanvullende gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften en een schuldovereenkomst, met een uiterste inleverdatum van 31 mei 2010. Omdat appellant deze gegevens niet tijdig had aangeleverd, stelde het College de aanvraag bij besluit van 31 mei 2010 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het College verklaarde het bezwaar ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de gevraagde stukken tijdig had verzonden. Appellant stelde in hoger beroep dat hij de stukken op 19 mei 2010 had verstuurd en dat het College hem na de termijn een herstelmogelijkheid had moeten bieden.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de stukken daadwerkelijk waren verzonden en dat het College geen verdere hersteltermijn hoefde te bieden omdat appellant geen uitstel had gevraagd. De Raad bevestigde het oordeel dat het College terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van noodzakelijke gegevens. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot buiten behandeling stellen van de aanvraag wordt bevestigd.