ECLI:NL:CRVB:2011:BR3522

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3173 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.16 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000Artikel XXI Wet van 15 oktober 2009
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlenging diplomatermijn studiefinanciering zonder toepassing hardheidsclausule

Appellante heeft studiefinanciering ontvangen voor een studieperiode van september 1998 tot augustus 1999 en in 2008 een nieuwe aanvraag gedaan voor studiefinanciering voor een vervolgopleiding. De Minister wees de aanvraag af omdat de maximale diplomatermijn van tien jaar was verstreken. Appellante vroeg vervolgens om verlenging van de diplomatermijn wegens bijzondere medische omstandigheden, welke door de Minister deels werd toegekend met een verlenging van 49 maanden.

De rechtbank wees het beroep van appellante tegen de vaststelling van de ingangsdatum van de verlengde diplomatermijn af, omdat deze datum volgens de rechtbank terecht was vastgesteld op 1 september 2008, aansluitend op het einde van de oorspronkelijke diplomatermijn. Appellante voerde aan dat zij door de brief van de Minister gedwongen was haar inschrijving bij de onderwijsinstelling Saxion Next te annuleren en dat de termijn daardoor onhaalbaar werd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de verlenging van de diplomatermijn noodzakelijkerwijs moet aansluiten op de oorspronkelijke termijn en dat de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000 niet van toepassing is. De Raad benadrukt dat de wetgever bewust een diplomatermijn van tien jaar hanteert en dat uitzonderingen alleen bij hoge uitzondering zijn toegestaan. Appellante had de mogelijkheid tot overleg met de Minister om tot een passende oplossing te komen, maar koos ervoor dit niet te doen. De Raad bevestigt daarom het besluit van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de ingangsdatum van de verlengde diplomatermijn op 1 september 2008 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/3173 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2010, 09/597 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 29 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellante heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011.
Appellante is – na voorafgaand bericht – niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft van september 1998 tot en met augustus 1999 gestudeerd aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden en daarvoor studiefinanciering ontvangen.
1.2. Op 3 juni 2008 heeft zij studiefinanciering aangevraagd voor het volgen van de opleiding archeologisch onderzoeksassistent aan de onderwijsinstelling Saxion Next.
1.3. De Minister heeft appellante bericht dat zij geen recht meer heeft op studiefinanciering omdat er tien jaar verstreken zijn sinds de maand waarin zij voor het eerst studiefinanciering heeft ontvangen.
1.4. Appellante heeft vervolgens op 2 juli 2008 een verzoek om een voorziening prestatiebeurs bij arbeidsongeschiktheid ingediend. Daarbij heeft de onderwijsinstelling Saxion Next vermeld dat appellante nog 48 maanden nodig heeft om af te studeren.
1.5. Bij brief van 8 augustus 2008 heeft de Minister appellante verzocht een verklaring van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden op te sturen.
1.6. Appellante heeft vervolgens haar inschrijving bij Saxion Next ongedaan gemaakt.
1.7. Eind januari 2009 heeft appellante opnieuw een verzoek om een voorziening prestatiebeurs bij arbeidsongeschiktheid ingediend.
1.8. Bij besluit van 19 mei 2009 is dit verzoek afgewezen.
1.9. Bij besluit van 24 juli 2009 is het bezwaar van appellante hiertegen gegrond verklaard en de diplomatermijn met 49 maanden verlengd in verband met een bijzondere medische omstandigheid van tijdelijke aard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen redenen zijn waarom de Minister de ingangsdatum van de verlengde diplomatermijn niet heeft kunnen bepalen op 1 september 2008.
3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de Minister de aanvang van de verlengde diplomatermijn ten onrechte heeft gesteld op 1 september 2008. Het effect daarvan is dat het voor appellante onmogelijk zal zijn om binnen de gestelde termijn haar diploma te behalen. Door de brief van de Minister van 8 augustus 2008 was zij gedwongen haar inschrijving bij Saxion Next ongedaan te maken, het was niet realistisch dat zij alles nog voor 1 september 2008 zou kunnen regelen en zij kon niet het risico lopen dat zij het inschrijfgeld van € 3.000,= voor Saxion Next moest betalen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Artikel 5.16, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidt:
“1. Indien een student als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard niet in staat is binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen te behalen, wordt deze termijn verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden.”
4.2. De Raad is van oordeel dat deze verlenging naar haar aard – het is immers een verlenging – dient aan te sluiten aan de oorspronkelijke termijn. Nu appellante op 1 september 1998 voor het eerst studiefinanciering voor hoger onderwijs heeft ontvangen eindigde die termijn op 1 september 2008 en kan de verlening niet later ingaan dan 1 september 2008.
4.3. De door appellante gestelde omstandigheden kunnen niet leiden tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 van de Wsf 2000. De Raad wijst er op dat de wetgever bewust gekozen heeft voor een diplomatermijn van tien jaren. Uit de wetsgeschiedenis bij de verruiming van de diplomatermijn blijkt dat de bedoeling van deze lange termijn is dat het slechts bij hoge uitzondering zal voorkomen dat studenten door bijzondere omstandigheden niet voldoen aan de prestatie-eisen. Voor die gevallen biedt artikel 5.16 van de wet een uitweg. Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is daarnaast niet snel plaats voor toepassing van de hardheidsclausule.
Appellante heeft er voor gekozen na het stoppen met de studie aan de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden een aantal jaren niet te studeren. Vervolgens heeft zij in juni 2008 besloten weer te gaan studeren en zich ingeschreven bij Saxion Next en in juli 2008 verlenging van de diplomatermijn aangevraagd. Uit de brief van de Minister van 8 augustus 2008 aangaande haar verlengingsverzoek heeft zij de conclusie getrokken dat er te weinig tijd was om de gevraagde zaken te regelen en haar inschrijving bij Saxion Next geannuleerd. De Minister heeft ter zitting uiteengezet dat appellante met hem in overleg had kunnen treden ten einde te trachten tot een voor appellante adequate oplossing te komen. Appellante heeft daar niet voor gekozen en zonder overleg haar inschrijving bij Saxion Next ingetrokken. Die keuze dient, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor haar rekening en risico te blijven.
4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) D.E.P.M. Bary.
IvR