ECLI:NL:CRVB:2011:BR4120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over omvang zelfstandige werkzaamheden en recht op WW-uitkering
Appellant ontving tussen 21 juni 2001 en 13 december 2004 uitkeringen op grond van de WW, Wet REA en ZW. Het Uwv trok deze uitkeringen in op basis van een onderzoek waarin werd vastgesteld dat appellant 70 uur per week als zelfstandige werkzaam was in een sportschool. De rechtbank bevestigde dit en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat zijn werkzaamheden niet in die omvang waren en dat hij slechts beperkte, niet-productieve arbeid verrichtte. De Raad beoordeelde dat werkzaamheden als het geven van aanwijzingen bij trainingen en organisatorische taken wel degelijk productief zijn en dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door deze uren niet te melden.
Echter, de Raad stelde vast dat de vaststelling van 70 uur per week niet zorgvuldig tot stand was gekomen. De aanwezigheid van appellant in de sportschool impliceert niet automatisch dat hij ook daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte. De gegevens waren onvoldoende om te bepalen of en wanneer een uitbreiding van werkzaamheden plaatsvond en welke gevolgen dit had voor het recht op uitkering.
Daarom kon de Raad het geschil niet definitief beslechten en droeg het Uwv op om de feiten over de omvang van de werkzaamheden zorgvuldig vast te stellen en het besluit dienovereenkomstig aan te passen. Deze tussenuitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige feitenvaststelling bij het intrekken van uitkeringen wegens zelfstandige arbeid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op de feiten over de omvang van de werkzaamheden zorgvuldig vast te stellen en het besluit aan te passen.