ECLI:NL:CRVB:2018:2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking IOAW-uitkering wegens verzwegen zelfstandige werkzaamheden
Appellant ontving sinds april 2013 een IOAW-uitkering en had daarvoor een WW-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme melding verrichtte de sociale recherche onderzoek naar mogelijke verzwegen werkzaamheden als klusser. Dit leidde tot het besluit van het college om de uitkering met ingang van januari 2014 in te trekken, terug te vorderen en een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond, maar vernietigde de boete wegens onvoldoende bewijs. In hoger beroep betwist appellant de intrekking van de uitkering. De Raad beoordeelt dat appellant sinds januari 2014 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, maar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de omvang daarvan. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of appellant voldoet aan de voorwaarden voor recht op IOAW-uitkering.
De Raad oordeelt dat het college terecht de uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd. De motivering is waar nodig verbeterd en het hoger beroep wordt afgewezen. Het verzoek tot schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de IOAW-uitkering wordt bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.