ECLI:NL:CRVB:2011:BR4785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag voor in Moldavië wonend kind wegens ontbreken handhavingsverdrag
Appellante, met Moldavische nationaliteit, verzocht kinderbijslag voor haar in Moldavië wonende dochter. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af op grond van artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), omdat met Moldavië geen handhavingsverdrag is gesloten, wat vereist is voor export van kinderbijslag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het onderscheid naar woonplaats, zoals neergelegd in artikel 7b AKW, geen ontoelaatbaar onderscheid vormt in de zin van artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 EP Pro. De ruime beoordelingsvrijheid van de staat bij het inrichten van sociale zekerheidsstelsels werd bevestigd.
Verder stelde de Raad vast dat de Svb een consistent beleid hanteert door uitkeringen alleen te exporteren naar landen waarmee een handhavingsverdrag is gesloten of waar onderhandelingen ver gevorderd zijn. Het ontbreken van een verdrag met Moldavië en het niet sluiten daarvan is niet onrechtmatig, mede omdat Moldavië is uitgenodigd tot onderhandelingen zonder respons.
Ten slotte faalde het beroep op artikel 3 en Pro 27 lid 4 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), omdat hierin geen rechtsplicht voor de staat is opgenomen om altijd een verdrag te sluiten. De aangevallen uitspraak werd derhalve bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag voor het in Moldavië wonende kind wegens het ontbreken van een handhavingsverdrag.