ECLI:NL:CRVB:2011:BR5138
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1983 bijstand als alleenstaande ouder. Het College stelde vast dat zij sinds 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met appellant zonder dit te melden. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1997-2008, waarbij appellanten hoofdelijk aansprakelijk werden gesteld.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigt dit in hoger beroep. Het onweerlegbaar rechtsvermoeden van artikel 3, vierde lid, WWB is van toepassing en het niet melden van het gezamenlijke hoofdverblijf vormt een schending van de inlichtingenplicht volgens artikel 17 WWB Pro.
Appellanten voerden aan dat er geen verwijtbaarheid was en dat er dringende redenen bestonden om terugvordering te matigen. Dit verweer faalt omdat ook zonder verwijtbaarheid de plicht geldt en appellante geen medische onderbouwing leverde voor haar psychische gesteldheid. Het College handelde volgens beleid en er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
De Raad bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering, inclusief de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellant. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over gezamenlijke huishouding.