ECLI:NL:CRVB:2011:BR5748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens juiste vaststelling fictieve opzegtermijn na beëindigingsovereenkomst
Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze geweigerd omdat de opzegtermijn van twee maanden en de ontvangen beëindigingsvergoeding in aanmerking werden genomen. De beëindigingsovereenkomst was op 7 augustus 2009 ondertekend, waarmee de arbeidsovereenkomst formeel werd beëindigd per 1 oktober 2009.
Appellant voerde aan dat uit e-mailcorrespondentie bleek dat overeenstemming al eind juli 2009 was bereikt, waardoor de WW-uitkering eerder zou moeten ingaan. De Raad oordeelde echter dat uit de e-mails bleek dat appellant de conceptovereenkomst nog aan zijn advocaat wilde voorleggen en dus nog geen onvoorwaardelijke instemming had gegeven.
De Raad verwees naar een eerdere uitspraak waarin een ondertekende overeenkomst leidde tot vaststelling van de beëindigingsdatum, maar stelde dat die situatie verschilde van de onderhavige zaak. De Raad concludeerde dat de fictieve opzegtermijn juist was vastgesteld en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Arnhem.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat de fictieve opzegtermijn correct is vastgesteld op basis van de beëindigingsovereenkomst van 7 augustus 2009.