Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd met een ingangsdatum van 3 maart 2025, maar het UWV kende deze toe met ingang van 1 april 2025. Eiser betwistte deze datum en stelde dat de beëindiging van zijn dienstverband schriftelijk was overeengekomen op 29 januari 2025, waardoor de uitkering eerder had moeten ingaan.
De rechtbank oordeelt dat op 29 januari 2025 nog geen volledige schriftelijke overeenstemming was bereikt over de beëindiging van het dienstverband, omdat partijen hadden afgesproken dat de voorwaarden in een vervolgovereenkomst nader zouden worden vastgesteld. De volledige overeenstemming werd pas bereikt met de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2025.
De rechtbank bevestigt dat de datum van volledige schriftelijke overeenstemming geldt als datum van opzegging volgens artikel 19, derde lid, van de Werkloosheidswet. Gezien de opzegtermijn van één maand en de opzegging tegen het einde van de maand, is de ingangsdatum van 1 april 2025 terecht vastgesteld.
Hoewel het UWV in het bestreden besluit verwees naar jurisprudentie zonder specifieke uitspraken te noemen, wat een motiveringsgebrek opleverde, is dit gebrek hersteld in het verweerschrift. De rechtbank passeert dit gebrek en veroordeelt het UWV tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van eiser.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de WW-uitkering blijft 1 april 2025.