ECLI:NL:CRVB:2011:BR6632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens niet beschikbaar stellen voor arbeid
Appellante had een WAO-uitkering die per 28 maart 2009 werd beëindigd. Zij vroeg vervolgens op 30 januari 2009 een WW-uitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij op het aanvraagformulier en in telefonisch overleg had aangegeven niet beschikbaar te zijn vanwege haar medische situatie.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV niet over haar WW-aanvraag had mogen beslissen voordat definitief was beslist over haar WAO-uitkering en dat zij beschikbaar zou zijn zodra die uitspraak er was. De Raad oordeelde echter dat het UWV verplicht was binnen acht weken te beslissen en dat aan de verklaring van appellante op het aanvraagformulier kon worden vastgehouden.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de afwijzing van de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 24 augustus 2011.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een WW-uitkering wordt afgewezen omdat zij zich niet beschikbaar stelde voor werk vanaf 30 maart 2009.