ECLI:NL:CRVB:2017:4497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid door ziekte
Appellante was van maart tot september 2014 werkzaam als productiemedewerker en meldde zich op 17 september 2014 ziek. Zij vroeg op 4 maart 2015 een WW-uitkering aan per 22 september 2014. Het UWV wees de uitkering af omdat appellante zich niet beschikbaar stelde voor werk, hetgeen zij zelf ook had aangegeven door haar ziekte.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van haar eigen verklaringen op het aanvraagformulier en tijdens de bezwaarprocedure. Appellante stelde dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst en zich mondeling en schriftelijk over haar arbeidsongeschiktheid had uitgelaten zonder tolk, maar bij zittingen wel een tolk had gebruikt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het begrip beschikbaar zijn voor arbeid een feitelijke toestand betreft en dat appellante door haar uitlatingen ondubbelzinnig had laten blijken niet beschikbaar te zijn. Het gebruik van een tolk bij zittingen versterkte juist de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het UWV zal de ziekmelding mogelijk als aanvraag Ziektewet heroverwegen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid door ziekte.