ECLI:NL:CRVB:2011:BR6668
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO- en TW-uitkering en rechtskarakter re-integratievisie
Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering die in 2009 door het UWV werd beëindigd, evenals haar TW-uitkering. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze beëindigingen ongegrond, maar oordeelde dat de re-integratievisie geen besluit was en verklaarde het bezwaar daartegen niet-ontvankelijk.
Appellante stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, omdat zij niet persoonlijk was onderzocht en haar maag- en darmklachten niet waren meegenomen. Ook verzocht zij om het horen van een arbeidsdeskundige als getuige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat het verzoek tot het horen van de arbeidsdeskundige geen toegevoegde waarde had.
Verder stelde appellante dat de re-integratievisie rechtsgevolgen heeft en dus een besluit is. De Raad bevestigde dat de re-integratievisie wel degelijk een besluit is, maar appellante had geen voldoende procesbelang omdat het bezwaar geen gevolgen zou hebben voor haar aanspraken. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO- en TW-uitkering en verklaart het bezwaar tegen de re-integratievisie niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.