ECLI:NL:CRVB:2011:BT6512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling arbeidsongeschiktheid en vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering
Appellante was sinds 2002 werkzaam als schoonmaakster en ontving een WAO-uitkering. Het UWV had haar arbeidsongeschiktheid per 16 januari 2007 vastgesteld op minder dan 15%, waarna de uitkering werd ingetrokken. Na bezwaar handhaafde het UWV dit besluit, wat door appellante werd aangevochten bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep stelde het UWV bij een nieuw besluit de arbeidsongeschiktheid alsnog vast op 55 tot 65%, gebaseerd op een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige die concludeerde dat de eerder geduide functie niet geschikt was en dat er onvoldoende geschikte functies overbleven. De Raad vernietigde het eerdere besluit en verklaarde het nieuwe besluit gegrond.
De Raad oordeelde dat het medische en arbeidskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, onder meer door een bezwaarverzekeringsarts en een psychiater. De Raad achtte de vastgestelde belastbaarheid van appellante juist en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de geschiktheid van haar werkzaamheden als schoonmaakster, die zij sinds 2002 zonder structureel ziekteverzuim verrichtte.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante. Het beroep tegen het eerste besluit werd gegrond verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarmee de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 55-65% definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij de arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op 55-65%.