ECLI:NL:CRVB:2011:BT6767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellant verrichtte gedurende acht maanden WSW-werkzaamheden die waren aangepast aan zijn beperkingen. Het UWV weigerde een WIA-uitkering op grond van de stelling dat appellant bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en deels ongegrond, waarna het hoger beroep werd ingesteld.
De Raad beoordeelde dat er geen voldoende en ondubbelzinnige indicaties waren voor volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Medische verslagen en verklaringen van een trajectbegeleider ondersteunden dat appellant in staat was zijn werkzaamheden uit te voeren en dat het ontslag niet aan beperkingen maar aan houding en gedrag lag.
Daarom concludeerde de Raad dat het UWV ten onrechte de uitkering had geweigerd en droeg het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen. De uitspraak bevestigt dat klachten of beperkingen alleen niet volstaan om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen zonder ondubbelzinnige bewijsvoering.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen omdat onvoldoende gegevens volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering aantonen.