ECLI:NL:CRVB:2011:BT7635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende duidelijkheid over feitelijke woonsituatie
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf op te wonen op een bepaald adres. Het College van burgemeester en wethouders stelde een onderzoek in naar zijn woonsituatie, inclusief gesprekken en een huisbezoek. Op basis hiervan werd de aanvraag afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde dat het niet aan hem was om zijn hoofdverblijf te bewijzen en dat hij wel degelijk op het adres woonde, met persoonlijke spullen in de woning en berging. De Raad overwoog dat het essentieel is dat de aanvrager duidelijkheid verschaft over zijn woonsituatie en dat het aan het College is deze informatie te controleren.
De Raad vond dat appellant onvoldoende duidelijkheid had gegeven. Uit verklaringen bleek dat hij feitelijk elders verbleef, en tijdens het huisbezoek werden slechts enkele persoonlijke spullen aangetroffen, zonder ondergoed of sokken. Bovendien waren de verklaringen van appellant over de sleutel van de woning inconsistent. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke woonsituatie.