ECLI:NL:CRVB:2011:BT8458
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering op basis van fictieve arbeidsongeschiktheid en maandloonvergelijking
Appellante ontving sinds 1986 een WAO-uitkering die laatstelijk was vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65% gebaseerd op haar werk als activiteitenbegeleidster. Na onderzoek in 2009 stelde het UWV vast dat haar inkomsten uit arbeid zodanig waren dat de uitkering voor de periode van 1 oktober 2007 tot 1 november 2008 moest worden herzien en vanaf 1 november 2008 geheel werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de berekening van het maatmanloon en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid juist waren. De rechtbank liet een beroep op verboden reformatio in peius buiten beschouwing wegens te late indiening, maar merkte op dat appellante niet slechter was gesteld.
In hoger beroep voerde appellante opnieuw aan dat sprake was van verboden reformatio in peius en dat onterecht geen reductiefactor was toegepast bij de vergelijking van haar feitelijke arbeid met de maatmanfunctie. De Raad overwoog dat bij maandelijkse wisselende inkomsten een maandloonvergelijking moet worden toegepast zonder reductiefactor, en dat het UWV terecht de fictieve arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op basis van deze methode.
Verder oordeelde de Raad dat de herziening over januari 2008 terecht was, omdat de salarisstrook pas laat was ingediend en het UWV op basis van nieuwe gegevens de uitkering mocht herzien conform de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellante af.