ECLI:NL:CRVB:2011:BU3216

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4914 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als facilitair medewerker en daarnaast in een deeltijdfunctie, viel uit wegens allergieklachten. Het UWV stelde vast dat zijn arbeidsongeschiktheid per 24 november 2008 minder dan 35% bedroeg en weigerde een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn medische beperkingen werden onderschat, mede vanwege psychische klachten en behandeling door een psychiater.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de functies die appellant kon verrichten passend waren. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, onder meer door dossieronderzoek, spreekuuronderzoek en overleg met specialisten. De medische beperkingen waren juist vastgesteld, en de recente psychiatrische behandeling en acceptatie voor de Ziektewet waren niet relevant voor de situatie op het beslismoment.

De Raad vond ook dat de functies van machinebediende en samensteller passend waren binnen de belastbaarheid van appellant, zoals toegelicht in de arbeidskundige rapportage. Het opleidingsniveau was correct vastgesteld op niveau 2, gebaseerd op werkervaring en taalvaardigheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/4914 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2010, 09/1481 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was sedert oktober 1996 bij [naam werkgever] werkzaam als facilitair medewerker voor 40 uur per week. Daarnaast werkte hij bij [werkgever B] te [plaatsnaam] als [naam functie B] voor 12,5 uur per week. Op 27 november 2006 is appellant vanwege allergieklachten uitgevallen. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 24 november 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt. Bij besluit van 11 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 november 2008 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.
3. In hoger beroep heeft appellant de in de eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Appellant is de opvatting toegedaan dat het Uwv zijn medische beperkingen heeft onderschat. Daarbij heeft hij gewezen op het feit dat hij voor zijn psychische klachten inmiddels onder behandeling is van een psychiater en dat hij vanwege zijn klachten voor de Ziektewet (ZW) is geaccepteerd. Dientengevolge acht appellant zich niet in staat om de hem geduide functies te verrichten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag op een zorgvuldig onderzoek berust. Daarbij neemt de Raad de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking. De bezwaarverzekeringsarts P. Eken heeft dossieronderzoek verricht, is bij de hoorzitting aanwezig geweest, heeft aansluitend daaraan appellant op het spreekuur onderzocht en heeft inlichtingen opgevraagd bij de behandelende allergoloog en bij Kenter Psychodiagnostiek. Uit het rapport van 2 maart 2009 blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts daarbij heeft geconstateerd dat er sprake is van een allergische rhinoconjunctivitis met een kruisovergevoeligheid voor inhalatie van boompollen en ingestie van diverse voedingsmiddelen. Daarnaast is er volgens haar sprake van fixatie op de aandoening en inadequate copingstijlen die door de psychiater van appellant zijn benoemd als een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich vervolgens kunnen vinden in het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat het verminderde psychisch functioneren van appellant door de ongedifferentieerde somatoforme stoornis medische beperkingen rechtvaardigt ten aanzien van blootstelling aan stresserende omstandigheden, zoals sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden, veelvuldige deadlines en conflicthantering. Naar aanleiding van de brief van de allergoloog van 6 februari 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts het wel raadzaam geacht om appellant, gelet op zijn medicijngebruik, beperkt te achten voor beroepsmatig autorijden. Vervolgens heeft zij de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op dat punt aangepast. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De recente psychiatrische behandeling en acceptatie voor de ZW maken dat niet anders nu appellant ten tijde hier in geding - 24 november 2008 - niet onder behandeling stond van een psychiater en de acceptatie voor de ZW niet is gebaseerd op de klachten die in het onderhavige geding aan de orde zijn, maar op linkerschouderklachten.
4.2. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (sbc-code 271093), samensteller metaalwaren (sbc-code 264140) en samensteller kunststof- en rubberindustrie (sbc-code 271130) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant. Met de arbeidskundige rapportage van 11 maart 2009, welke mede is ondertekend door bezwaarverzekeringsarts Eken, heeft het Uwv voldoende toegelicht dat de genoemde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.
4.3. Ter zitting heeft appellant tot slot naar voren gebracht dat zijn opleidingsniveau ten onrechte is vastgesteld op 2. De Raad volgt appellant in dat standpunt niet. Blijkens de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen is het opleidingsniveau gebaseerd op het gegeven dat appellant naast het door hem gevolgde lager onderwijs, de nodige werkervaring in Nederland heeft opgedaan - hij heeft onder andere gedurende een periode van ruim drie jaar bij [werkgever B] als voorman gewerkt - en hij bovendien (zeer) taalvaardig is in Arabisch en Frans.
5. Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK