ECLI:NL:CRVB:2011:BU3218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Betrokkene ontving een Ziektewet-uitkering na beëindiging van een WAO-uitkering en een tijdelijk dienstverband als trainer. De uitkering werd beëindigd omdat zij geschikt werd geacht haar eigen werk te verrichten. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond op basis van een neuropsychologisch rapport dat cognitieve beperkingen vaststelde.
In hoger beroep stelde appellant dat de conclusies van de neuropsycholoog onvoldoende waren onderbouwd en dat de cognitieve tekorten niet waren herleid tot medisch vastgestelde stoornissen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bevindingen van een neuropsycholoog alleen betekenisvol zijn indien deze kunnen worden gekoppeld aan medisch vastgestelde stoornissen op neurologisch of psychiatrisch gebied, hetgeen ontbrak.
De Raad concludeerde dat de rechtbank op onjuiste gronden het beroep had gegrond verklaard en dat onvoldoende medische argumenten waren aangevoerd om ongeschiktheid voor arbeid aan te tonen. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
De Raad wees tevens op het ontbreken van een medisch-specialistisch rapport dat de cognitieve beperkingen verklaart en benadrukte dat klachten en beperkingen niet automatisch leiden tot ongeschiktheid voor het verrichten van het werk als trainer/coach/docent. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond wegens onvoldoende medische onderbouwing van arbeidsongeschiktheid.