ECLI:NL:CRVB:2011:BU4018
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening inzake maatschappelijke opvang op grond van Wmo en EVRM artikel 8
Verzoeker, een Nigeriaanse staatsburger die HIV-positief is, vroeg bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit verzoek werd afgewezen vanwege zijn verblijfsstatus, die hem geen recht geeft op opvang volgens de artikelen 10 en 11 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verzoeker beschikte over onderdak in de vorm van een gehuurde kamer bij een vriend en ontving financiële ondersteuning van het Aidsfonds.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van verzoeker tegen de afwijzing ongegrond, met de overweging dat de weigering van opvang geen schending van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vormt, mede omdat verzoeker over huisvesting beschikt.
In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat verzoeker weliswaar een spoedeisend belang had, maar dat het niet aannemelijk was dat de aangevallen uitspraak niet in stand zou blijven. De voorzieningenrechter stelde vast dat het feit dat verzoeker over onderdak beschikt, betekent dat de weigering van maatschappelijke opvang geen onevenwichtige afweging vormt tussen publieke en particuliere belangen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en zonder toekenning van proceskosten of griffierechtvergoeding. De beslissing bevestigt dat verblijfsstatus en het beschikken over onderdak doorslaggevend zijn voor het recht op maatschappelijke opvang onder de Wmo, en dat artikel 8 EVRM Pro in deze context geen aanvullende verplichtingen oplegt.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoeker geen recht heeft op maatschappelijke opvang en het beroep op artikel 8 EVRM niet slaagt.