ECLI:NL:CRVB:2011:BU4024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eigenrisicodragerschap en aansprakelijkheid voor WGA-uitkering
Appellante was sinds 1 juli 2004 eigenrisicodrager voor de WAO en later de WIA. Een ex-werknemer viel op 14 augustus 2006 wegens ziekte uit. Het UWV kende op 24 juni 2008 een WGA-uitkering toe aan de ex-werknemer met ingang van 11 augustus 2008 en stelde appellante aansprakelijk voor betaling daarvan. Appellante betwistte dit op grond van een vermeende eerdere beëindiging van het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de Belastingdienst bevoegd is te bepalen wanneer het eigenrisicodragerschap eindigt en dat het UWV zich aan het standpunt van de inspecteur moest houden. De inspecteur had verklaard dat het eigenrisicodragerschap van appellante pas op 31 juli 2008 eindigde.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het eigenrisicodragerschap ook beëindigd kan worden door intrekking van de garantie door de verzekeraar, maar de inspecteur had hierover geen uitspraak gedaan. De Raad oordeelde dat de inspecteur op verzoek van de werkgever een voor bezwaar vatbare beschikking moet afgeven over het einde van het eigenrisicodragerschap, waaraan het UWV gebonden is.
Omdat appellante geen bezwaarprocedure had doorlopen en het UWV geen besluit had ontvangen dat het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2006 was geëindigd, bleef appellante aansprakelijk. Het eigenrisicodragerschap eindigde volgens de Belastingdienst pas op 31 juli 2008, waardoor appellante het risico droeg voor de uitkering aan de ex-werknemer die op het moment van arbeidsongeschiktheid nog in dienst was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellante af.
Uitkomst: Appellante blijft aansprakelijk als eigenrisicodrager voor de WGA-uitkering omdat het eigenrisicodragerschap pas op 31 juli 2008 eindigde.