ECLI:NL:CRVB:2011:BU4433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hoofdverblijf buiten gemeente
Appellante ontving sinds 2002 bijstand van de gemeente Rotterdam. Uit onderzoek bleek dat zij vanaf 1 augustus 2007 haar hoofdverblijf had verplaatst naar een adres in een andere gemeente, zonder dit te melden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van de kosten over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 januari 2009.
Appellante voerde aan dat zij vanwege de medische behandeling van haar zoon en haar eigen psychische problemen haar hoofdverblijf niet had verplaatst en dat zij niet in staat was om het College tijdig te informeren. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de verklaringen van appellante tegenover de sociale recherche, ondersteund door getuigenverklaringen en bankafschriften, overtuigend aantonen dat haar hoofdverblijf feitelijk in de andere gemeente was.
De Raad concludeerde dat appellante haar inlichtingenverplichting schond en dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde. Ook het argument dat de strafzaak wegens haar gezondheid werd geseponeerd, leidde niet tot een ander oordeel, omdat de bestuursrechter niet gebonden is aan het oordeel van het Openbaar Ministerie.
De Raad wees verder op het beleid van het College om terugvordering te matigen bij dringende redenen, maar vond dat appellante onvoldoende bijzondere omstandigheden had aangevoerd om hiervan af te wijken. De aangevallen uitspraak werd dan ook bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens hoofdverblijf buiten de gemeente Rotterdam wordt bevestigd.