ECLI:NL:CRVB:2014:696
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten en overschrijding vermogensgrens
Appellanten ontvingen bijstand sinds 1997 op grond van de WWB. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellant mogelijk inkomsten had uit de verkoop van gestolen fietsen en handel in boten en fietsen, zonder dit aan het college te melden. Tevens beschikten zij over een auto die niet was gemeld en die het vermogen overschreed.
Het college trok de bijstand in vanaf 1 januari 2007 en vorderde de kosten terug. De rechtbank oordeelde dat het college niet over de gehele periode kon intrekken, maar slechts over bepaalde maanden vanwege onvoldoende feitelijke grondslag en onjuistheid in de terugvordering. Het college stelde een omslagpunt vast waarop appellanten weer recht op bijstand kregen.
De Raad bevestigt dat de auto als vermogensbestanddeel moet worden gerekend en dat de waarde niet onder de vermogensgrens was gedaald bij aankoop. Ook is vastgesteld dat appellanten inkomsten uit handel niet hebben gemeld, ondanks concrete getuigenverklaringen. Het sepot in de strafzaak doet hieraan niet af. De opgelegde maatregel van verlaging van 100% van de bijstand gedurende een maand is proportioneel en in overeenstemming met regelgeving.
De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken van de rechtbank worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en maatregel worden bevestigd.