ECLI:NL:CRVB:2011:BU5099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontbinding arbeidsovereenkomst en fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering
Appellante was sinds 1991 in dienst bij haar werkgever en kreeg ontslag aangezegd met ingang van 1 maart 2010. Zij verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke op 20 januari 2010 werd uitgesproken met toekenning van een vergoeding van €10.000,-.
Het UWV weigerde haar WW-uitkering tot en met 3 mei 2010, omdat het de ontbinding zag als beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 20 januari 2010 en de vergoeding gelijkstelde aan loon over een fictieve opzegtermijn. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV de opzegtermijn van de werkgever (vier maanden) toepaste in plaats van die van appellante (twee maanden).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door ontbinding en dat de fictieve opzegtermijn moet worden berekend aan de hand van de voor appellante geldende termijn. Tevens oordeelt de Raad dat de vergoeding van de kantonrechter geen achterstallig loon betreft, maar een vergoeding op grond van artikel 7:685 BW Pro, gelijkgesteld aan loon over de fictieve opzegtermijn. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding tot toekenning van extra schadevergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt dat de arbeidsovereenkomst eindigde door ontbinding en de vergoeding gelijkgesteld wordt aan loon over de fictieve opzegtermijn.