ECLI:NL:CRVB:2011:BU7184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing voor verdere beperkingen
Appellante ontving sinds 2000 een WAO-uitkering wegens vermoeidheidsklachten, aanvankelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV herzag deze uitkering in 2007 naar 15-25% op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarbij werd aangenomen dat appellante geschikt was voor bepaalde functies ondanks haar beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, waarbij een door de rechtbank benoemde neuropsycholoog ernstige cognitieve stoornissen constateerde, maar deze niet medisch-objectief kon onderbouwen. De rechtbank volgde het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er geen medisch-objectieve basis was voor de klachten en beperkingen van appellante.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de deskundige meer beperkingen had vastgesteld en dat nader psychiatrisch onderzoek noodzakelijk was. De Raad onderschreef echter de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het rapport van de deskundige niet voldeed aan de vereisten van de jurisprudentie, en bevestigde dat er geen toereikende medische onderbouwing was voor verdere beperkingen.
De Raad concludeerde dat de functies die appellante kon vervullen haar belastbaarheid niet te boven gingen en wees het hoger beroep en het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd op 7 december 2011 gedaan door de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd vanwege het ontbreken van een medisch-objectieve basis voor verdere beperkingen.