ECLI:NL:CRVB:2011:BU7414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Anticumulatie WAO-uitkering wegens niet opgegeven werkzaamheden als schoonmaker
Appellant ontving een WAO-uitkering op basis van een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Het UWV ontving anonieme tips dat appellant onder de naam van zijn broers schoonmaakwerkzaamheden verrichtte, wat leidde tot een onderzoek en terugvordering van uitkeringen over meerdere perioden. De rechtbank oordeelde dat appellant inderdaad werkte onder de naam van zijn broers en wees de beroepen af.
In hoger beroep betwist appellant dit en wijst op ingetrokken getuigenverklaringen en onbetrouwbare herkenningen. De Raad volgt het UWV en de rechtbank in het aannemen dat appellant in drie van de vier perioden als schoonmaker werkte, mede op basis van handtekeningen, getuigenverklaringen en herkenning door beveiliging. De Raad hecht weinig waarde aan het intrekken van verklaringen door getuigen vanwege hun mogelijke belang.
Voor één periode (24 juli 2000 tot 1 september 2000) is onvoldoende bewijs dat appellant werkte, waardoor de terugvordering en het besluit over die periode worden vernietigd. De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt gehandhaafd als evenredig en volledig verwijtbaar. De Raad stelt zelf het terugvorderingsbedrag vast en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad vernietigt de terugvordering over één periode wegens onvoldoende bewijs en bevestigt de boete voor schending van de inlichtingenplicht.