ECLI:NL:CRVB:2011:BU7804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand vanwege een vermoeden van een gezamenlijke huishouding met H. Na een huisbezoek trok het College de bijstand met terugwerkende kracht in per 29 oktober 2009 en vorderde gemaakte kosten terug. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het huisbezoek onrechtmatig was, er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding vanwege het ontbreken van wederzijdse zorg, en dat het College op de hoogte was van zijn situatie zodat geen inlichtingenplicht was geschonden. De Raad oordeelde dat het College onvoldoende feitelijke grondslag had voor het standpunt dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden, omdat het College al bekend was met de situatie sinds augustus 2009 en geen wijziging was gebleken.
De Raad vernietigde het besluit van 2 maart 2010 en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Het huisbezoek was rechtmatig vanwege concrete aanwijzingen, en er was voldoende feitelijke grondslag dat appellant vanaf 29 oktober 2009 een gezamenlijke huishouding voerde met H. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand als alleenstaande. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. De Raad veroordeelde het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Besluit tot intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt vernietigd, maar rechtsgevolgen blijven in stand.