ECLI:NL:CRVB:2011:BU7955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor
De zaak betreft een loonsanctie opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) aan een werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor voor een zieke werknemer. De werkgever had het tijdvak van loondoorbetaling tijdens ziekte met 52 weken verlengd omdat zij onvoldoende inspanningen had verricht om de werknemer elders te laten re-integreren.
De rechtbank Arnhem had het beroep van de werkgever gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat zij oordeelde dat er geen reële kans was op re-integratie en dat de werkgever niet verplicht was tot het starten van tweede spoor trajecten. De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders. Uit de rapportages van arbeidsdeskundigen blijkt dat de werkgever na drie mislukte pogingen tot werkhervatting in het eerste spoor geen tweede spoortraject is gestart, terwijl dit wel had gemoeten.
De Raad benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever ligt en dat het feit dat de werknemer later een IVA-uitkering kreeg wegens onvoldoende duidbare functies, niet betekent dat er geen re-integratie-inspanningen in het tweede spoor hadden moeten worden verricht. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de loonsanctie in stand blijft.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het tweede spoor wordt bevestigd en het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.