ECLI:NL:CRVB:2011:BU9020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet opgegeven vrijwilligersvergoedingen
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verrichtte vrijwilligerswerk waarvoor zij vergoedingen ontving. Het College stelde vast dat zij deze vergoedingen niet had doorgegeven, waardoor zij te veel bijstand ontving. Het College herzag de bijstand en vorderde een bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep betwistte appellante de schending van haar inlichtingenverplichting en stelde dat zij de vergoedingen niet als inkomsten zag en daarom niet hoefde te melden. De Raad oordeelde dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze vergoedingen van invloed konden zijn op haar recht op bijstand en dat zij deze op de inkomstenverklaringen had moeten opgeven.
Appellante voerde verder aan dat zij haar vrijwilligerswerk had gemeld aan haar bewindvoerder, maar de Raad stelde dat zij zelf verantwoordelijk was voor het opgeven van inkomsten op de maandelijkse verklaring. Ook het argument dat het College met het afzien van brutering een fout erkende, werd verworpen. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven vrijwilligersvergoedingen.