ECLI:NL:CRVB:2011:BU9519
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande. Na een melding dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [G.], voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit onderzoek, inclusief verklaringen van appellante en [G.], concludeerde dat zij vanaf 1 januari 2006 tot 30 september 2007 een gezamenlijke huishouding hadden op het adres van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat op grond van objectieve criteria en de geboorte van een kind uit de relatie sprake was van een gezamenlijke huishouding. De verklaringen van appellante en [G.] werden als doorslaggevend beoordeeld, waarbij de Raad oordeelde dat deze niet onder ontoelaatbare druk waren afgelegd.
Verder oordeelde de Raad dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden. Het dagelijks bestuur was daarom bevoegd de bijstand over de betreffende periode in te trekken en terug te vorderen. De stelling van appellante dat zij recht zou hebben gehad op gezinsbijstand werd niet onderbouwd en bleef onbehandeld.
De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.