ECLI:NL:CRVB:2011:BU9927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering en terugvordering wegens niet opgegeven werkzaamheden
Appellante ontving sinds 1986 bijstand en werd in 2006 door een anonieme tip verdacht van niet opgegeven werkzaamheden bij twee gezinnen. Na onderzoek door sociale rechercheurs, inclusief observaties en getuigenverklaringen, concludeerde het dagelijks bestuur dat appellante structureel onbetaald werk verrichtte en herzag de bijstandsuitkering over 1999-2007. Appellante maakte bezwaar en werd in eerste aanleg in het gelijk gesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar werkzaamheden vrijwilligerswerk waren zonder economische waarde en dat haar verklaringen onder druk waren afgelegd. De Raad verwierp deze stellingen, oordeelde dat de verklaringen betrouwbaar waren en dat de werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid moesten worden beschouwd. De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden.
Echter erkende het dagelijks bestuur dat het recht op bijstand over de periode wel schattenderwijs vast te stellen was. De Raad vernietigde het besluit tot intrekking en stelde de terugvordering vast op €64.234,85, gebaseerd op het aantal gewerkte uren tegen het netto minimumloon. Appellante slaagde er niet in haar lagere tegenberekening aannemelijk te maken. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over 1999-2007 wordt vernietigd en de terugvordering vastgesteld op €64.234,85.