ECLI:NL:CRVB:2011:BV0239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum bijstand na ingetrokken Bbz-aanvraag en niet-ontvankelijkheidsverklaring bezwaar
Appellant deed op 27 juni 2005 een aanvraag om bedrijfskapitaal (Bbz), die door het College als ingetrokken werd beschouwd nadat appellant niet op uitnodigingen voor gesprekken was ingegaan. Vervolgens vroeg appellant algemene bijstand aan met ingang van de datum van de Bbz-aanvraag, maar het College kende bijstand toe vanaf 1 juni 2006. Het bezwaar tegen de ingangsdatum werd door het Dagelijks Bestuur niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van gronden.
De rechtbank vernietigde deze niet-ontvankelijkheidsverklaring en verklaarde het bezwaar ongegrond, maar deed dit inhoudelijk zonder dat appellant zijn bezwaren kon toelichten, wat de Raad schending van het hoor en wederhoor-beginsel acht. De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak dat inhoudelijk oordeelt en beoordeelt het primaire besluit zelf.
De Raad oordeelt dat een Bbz-aanvraag niet gelijkgesteld kan worden met een aanvraag algemene bijstand omdat de Bbz-aanvraag betrekking heeft op zelfstandig ondernemerschap. Het College had de Bbz-aanvraag niet mogen converteren naar een aanvraag algemene bijstand. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat bijstand wordt verleend vanaf de datum van de Bbz-aanvraag. Het bezwaar tegen het besluit wordt daarom ongegrond verklaard.
Het Dagelijks Bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit over de ingangsdatum van bijstand wordt ongegrond verklaard en het Dagelijks Bestuur wordt veroordeeld in de proceskosten.