ECLI:NL:CRVB:2011:BV0735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ZEZ-uitkering wegens ontbreken terugwerkende kracht
Appellante vroeg een uitkering op grond van de regeling Zelfstandig en Zwanger (ZEZ) voor haar kinderen geboren in 2005 en 2008. Deze verzoeken werden afgewezen omdat de ZEZ-regeling pas op 4 juni 2008 in werking trad en geen terugwerkende kracht heeft. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat het Vrouwenverdrag en de Zelfstandigenrichtlijn niet verhinderen dat de Wet Zez niet met terugwerkende kracht wordt toegepast. Het onderscheid tussen kinderen geboren voor en na 4 juni 2008 is niet als verdacht onderscheid te beschouwen en valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever. De motivering van de wetgever om geen terugwerkende kracht toe te kennen is voldoende gerechtvaardigd.
Verder is geen sprake van schending van artikelen 14 EVRM, 26 IVBPR en 2 IVRK. Ook de artikelen 3 en 24 IVRK bieden appellante geen grond, omdat niet is gesteld of gebleken dat haar kinderen het genot van gezondheid of voorzieningen zijn onthouden. De Raad bevestigt daarom de afwijzing van de ZEZ-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de ZEZ-uitkering wegens het ontbreken van terugwerkende kracht.