ECLI:NL:CRVB:2012:BV0537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering na toepassing artikel 59 Wet WIA
Appellant ontving sinds 1 mei 2002 een WW-uitkering, waarvan de loongerelateerde uitkering maximaal 38 maanden duurde. Na een periode van Ziektewet-uitkering kreeg appellant een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Hij vroeg heropening van de WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat de WW-uitkering niet herleeft indien artikel 59, derde lid, Wet WIA van toepassing is.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat artikel 19 en Pro 21 van de WW geen belemmering vormen voor het recht op WW-uitkering. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het recht op WW-uitkering eindigt bij het ontvangen van een Ziektewet-uitkering en dat herleving van het recht op WW-uitkering wordt uitgesloten als artikel 59, derde lid, Wet WIA van toepassing is.
Omdat appellant reeds meer dan 38 maanden een loongerelateerde WW-uitkering had ontvangen, was er geen recht op een loongerelateerde WGA-uitkering, maar slechts op een vervolguitkering. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.