ECLI:NL:CRVB:2012:BV1396

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1735 AOR
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AORArt. 7:15 AwbArt. 8:26 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke invaliditeitsuitkering op grond van Algemene Oorlogsongevallenregeling

Appellant diende een aanvraag in voor een periodieke invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), die door verweerster werd afgewezen omdat geen sprake was van oorlogsletsel. Na bezwaar werd erkend dat appellant psychisch oorlogsletsel had en voor 20% arbeidsongeschikt was, maar de invaliditeitsuitkering werd geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid pas na het bereiken van de leeftijd van 70 jaar was ontstaan.

De Raad overweegt dat het niet onredelijk is dat de AOR een leeftijdsgrens van 70 jaar hanteert, gerelateerd aan de pensioenleeftijd, en dat de arbeidsongeschiktheid van appellant pas na die leeftijd is ontstaan. Uit medische rapporten blijkt dat appellant in 1990 met vervroegd pensioen ging om niet-oorlogsgerelateerde redenen en dat de psychische klachten pas daarna ontstonden, met een periode van remissie door medicatie. Pas na 2003 trad blijvende arbeidsongeschiktheid op.

Verder oordeelt de Raad dat verweerster ten onrechte de kosten van de bezwaarprocedure niet heeft vergoed, omdat het bestreden besluit gedeeltelijk is herroepen. Ook is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden, waardoor de zaak wordt heropend voor een nadere uitspraak over schadevergoeding. Verweerster wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van bezwaar en beroep en het griffierecht.

Uitkomst: De aanvraag voor een periodieke invaliditeitsuitkering wordt afgewezen omdat arbeidsongeschiktheid pas na de leeftijd van 70 jaar is ontstaan, maar vergoeding van kosten bezwaar en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn worden toegewezen.

Uitspraak

09/1735 AOR
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 19 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 12 maart 2008 (lees: 2009), kenmerk 2128/CAOR (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar secretaris mr. L.H.G. Belleflamme, alsmede door mr. R.L.M.J. Gielen. Tevens is verschenen dr. G.M. van der Molen, medisch adviseur van verweerster.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is in 1933 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In mei 2007 heeft hij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR. Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van oorlogsletsel in de zin van artikel 1 van Pro de AOR.
1.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het hiertegen gerichte bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Alsnog is aanvaard dat bij appellant sprake is van psychisch oorlogsletsel en dat hij op grond van causale klachten blijvend voor 20% ongeschikt is voor het verrichten van passende arbeid. Aan appellant is met ingang van 1 mei 2007 vrije geneeskundige behandeling en/of verpleging ter zake van het oorlogsletsel toegekend. Wat betreft een invaliditeitsuitkering is de afwijzing van de aanvraag echter gehandhaafd, op de grond dat appellant pas na het bereiken van het 70e levensjaar arbeidsongeschikt is geworden. In zoverre is het bezwaar ongegrond verklaard. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure is afgewezen.
2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
3. Het beroep heeft in de eerste plaats betrekking op de weigering van een periodieke invaliditeitsuitkering.
3.1. Volgens vaste rechtspraak strekt deze voorziening - naar blijkt uit artikel 10 van Pro de AOR - tot (gedeeltelijke) compensatie van door het oorlogsletsel veroorzaakte arbeidsongeschiktheid. Het getuigt niet van een onjuiste of onredelijke uitleg en toepassing van de AOR om deze voorziening niet meer toe te kennen indien de aan het oorlogsletsel toe te schrijven invaliditeit pas is ontstaan op een tijdstip waarop van deelname aan het arbeidsleven duidelijk geen sprake meer is. Uit dit oogpunt bezien is evenmin onjuist of onredelijk te achten dat verweerster bij de uitvoering van de AOR een aan de in Nederland gebruikelijke tijdstippen van pensionering gerelateerde leeftijdsgrens van 70 jaar hanteert (CRvB 8 november 2006, LJN AZ3028).
3.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk dat appellant in 1990 om niet met de oorlog verband houdende redenen met vervroegd pensioen (VUT) is gegaan en dat kort daarna de psychische klachten zijn begonnen. Dit komt naar voren uit het sociaal rapport en uit het verslag van het medisch onderzoek dat in 2006 is ingesteld door de arts J.J. Nasheed-Linssen, als geneeskundig adviseur verbonden aan de toenmalige Pensioen en Uitkeringsraad. Het blijkt ook uit de rapportage uit 2007 van de medisch adviseur van verweerster, de arts A.S.E.P. Textor, en uit het verslag van een geneeskundig onderzoek in 2008 door een andere medisch adviseur van verweerster, de arts F.A.M. van den Brand. De medische rapporten laten verder zien dat de huisarts in 1990 aan appellant medicijnen heeft voorgeschreven, die effectief zijn geweest. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2003 zijn de klachten tijdelijk verergerd, maar ook dit kon met medicijnen worden opgevangen. Bij het onderzoek door Nasheed in 2006 is niet gebleken dat de psychische klachten tot invalidering leidende beperkingen opleverden. Deze zijn pas in 2008 door Van den Brand geconstateerd. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd waaruit iets anders zou kunnen worden afgeleid.
3.3. Het vorenstaande betekent dat niet kan worden geoordeeld dat appellant vóór het bereiken van zijn 70e levensjaar (in 2003) als gevolg van zijn causale psychische klachten arbeidsongeschikt is geworden. Die klachten waren in 1990 niet de reden om met VUT te gaan. Zij zijn kort daarna ontstaan, maar waren zij dankzij medicatie al spoedig in remissie. Pas enkele jaren na 2003 is causale arbeidsongeschiktheid opgetreden.
3.4. Op dit punt kan het beroep dus niet slagen.
4. Appellant stelt dat hem ten onrechte vergoeding van de kosten van het bezwaar is geweigerd.
4.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.2. Bij het bestreden besluit is de aanvankelijke algehele afwijzing van de aanvraag door verweerster vervangen door een toekenning van vrije geneeskundige behandeling en/of verpleging. In zoverre is het primaire besluit van 18 oktober 2007 dus herroepen.
4.3. De herroeping is geschied omdat verweerster niet langer staande kon houden dat van oorlogsletsel in de zin van artikel 1 van Pro de AOR geen sprake was. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen op grond waarvan dit niet als onrechtmatigheid aan verweerster kan worden verweten.
4.4. Op dit punt slaagt het beroep. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Verweerster dient met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te worden veroordeeld in de kosten van het bezwaar tot een bedrag van € 644,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.
5.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan tweeëneenhalf jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan tweeëneenhalf jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond. Is dan in één of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Met het oog op de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding dient vervolgens de omvang van de overschrijding te worden vastgesteld. Daarbij vormt in zaken zoals deze de termijn van tweeëneenhalf jaar het uitgangspunt (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).
In het algemeen acht de Raad een vergoeding gepast van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (CRvB 26 januari 2009,
LJN BH1009).
5.3. Voor het geval van appellant betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift is door verweerster op 5 november 2007 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ruim vier jaar en twee maanden verstreken. Dit is meer dan tweeëneenhalf jaar. Vanaf de ontvangst door verweerster van het bezwaarschrift tot aan de datum van het bestreden besluit zijn een jaar en vier maanden verstreken. Dit betekent een overschrijding van de in beginsel toegestane behandelingsduur in bezwaar. Voorts zijn tussen de indiening van het beroepschrift op 25 maart 2009 (ontvangen 26 maart 2009) en de onderhavige uitspraak ruim twee jaar en negen maanden verstreken. Dit betekent een overschrijding van de in beginsel toegestane behandelingsduur in beroep. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn in beide fasen is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Daarbij merkt de Raad met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) aan als procespartij.
6. De Raad acht termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 644,-- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar is geweigerd;
Bepaalt dat het onderzoek onder zaaknummers 12/136 AOR en 12/138 AOR wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding en merkt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;
Veroordeelt verweerster in de kosten in bezwaar en in beroep, tot een bedrag van in totaal € 1.288,--;
Bepaalt dat verweerster aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2012.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) J.M. Tason Avila.
IJ