ECLI:NL:CRVB:2012:BV1752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen algemene bijstand sinds 1980 en hadden inkomsten uit hondenhandel en verhuur van een huifkar. Na informatie van de Belastingdienst ontdekte het College dat appellanten twee bankrekeningen niet hadden opgegeven, wat leidde tot onderzoek en het besluit om de bijstand vanaf 1 augustus 2002 in te trekken en kosten terug te vorderen.
Appellanten erkenden handel in honden tot 1 januari 2006, maar ontkenden inkomsten te hebben ontvangen en stelden dat latere stortingen verklaarbaar waren. De Raad oordeelde dat appellanten hun wettelijke inlichtingenverplichting hadden geschonden door deze activiteiten niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kon worden.
De Raad vond dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht hadden op bijstand, mede omdat geen volledige administratie was bijgehouden. Ook na 1 januari 2006 bleken aanwijzingen voor voortgezette handel. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en kosten terug te vorderen. Er was geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en veroordeelde appellanten niet in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering van kosten worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.