ECLI:NL:CRVB:2012:BV1798

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-247 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging medeterugvordering wegens onvoldoende feitelijke grondslag gezamenlijke huishouding

Het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen stelde betrokkene hoofdelijk aansprakelijk voor een vordering op een derde, gebaseerd op de veronderstelling dat betrokkene en deze derde een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank vernietigde deze medeterugvordering omdat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de gezamenlijke huishouding.

Het college ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt. Dit oordeel is mede gebaseerd op een eerdere uitspraak waarin eveneens werd geoordeeld dat de gezamenlijke huishouding onvoldoende feitelijk was vastgesteld.

De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd overwogen dat de proceskosten voor rechtsbijstand reeds waren vergoed en dat geen verdere kostenvergoeding was aangevraagd.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 januari 2012, waarbij de griffierechten werden opgelegd aan appellant.

Uitkomst: Het hoger beroep van het College wordt afgewezen en de vernietiging van de medeterugvordering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/247 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 december 2010, 08/1930 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 17 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011, samen met de gevoegde zaken van appellant met registratienummers 11/244 WWB tot en met 11/246 WWB, de gevoegde zaken van [C.] met registratienummers 11/201 WWB tot en met 11/204 WWB en de gevoegde zaken met registratienummers 11/240 WWB tot en met 11/243 WWB van appellant. Ter zitting waren aanwezig betrokkene, bijgestaan door mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, en [C.], bijgestaan door mr. G.C.L. van de Corput, advocaat te Breda. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.M. van Gerwen, werkzaam bij de gemeente Nijmegen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft appellant, voor zover hier van belang, betrokkene met toepassing van artikel 59, tweede en derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een vordering van appellant op [C.].
1.2. Appellant heeft bij besluit van 12 maart 2008 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 3 augustus 2007, voor zover dit de hoofdelijke aansprakelijkheid betreft, ongegrond verklaard.
1.3. Aan de onder 1.1 bedoelde medeterugvordering heeft appellant ten grondslag gelegd dat [C.] heeft verzwegen dat zij in de periode van 1 januari 1999 tot en met 12 april 2007 op haar adres met betrokkene een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd ten gevolge waarvan voor haar ten onrechte kosten van bijstand zijn gemaakt tot een bedrag van
€ 108.647,44.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene tegen de in het besluit van 12 maart 2008 vervatte medeterugvordering gegrond verklaard, dit besluit in zoverre vernietigd en het besluit van 3 augustus 2007 in zoverre herroepen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellant niet bevoegd was de kosten van bijstand mede van betrokkene terug te vorderen, nu zij bij uitspraak van 2 december 2010 in de zaken van [C.] met registratienummers 07/5114, 08/1478, 10/522 en 08/1639, heeft geoordeeld dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van appellant dat betrokkene en [C.] ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant verwezen naar het door hem ingestelde hoger beroep tegen de onder 2 genoemde uitspraak van de rechtbank met registratienummer 08/1478. Appellant kan zich niet verenigen met het in die uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank dat de gezamenlijke huishouding is gebaseerd op een onvoldoende feitelijke grondslag en is derhalve van opvatting dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad heeft bij uitspraak van heden met registratienummers 11/201 tot en met 11/204 en 11/240 tot en met 11/243 geoordeeld dat het hoger beroep van appellant tegen de onder 2 genoemde uitspraak van de rechtbank met registratienummers 07/5114, 08/1478, 10/522 en 08/1639 niet slaagt en dat deze uitspraak in zoverre wordt bevestigd. Dit brengt met zich dat het onderhavige hoger beroep evenmin slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Met betrekking tot de proceskosten van betrokkene in hoger beroep overweegt de Raad dat met de afzonderlijke uitspraak van heden in de zaken met registratienummers 11/244 WWB, 11/245 WWB en 11/246 WWB de kosten voor verleende rechtsbijstand reeds zijn vergoed. Om vergoeding van andere kosten is niet verzocht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van appellant griffierecht wordt geheven tot een bedrag van € 448,--.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2012.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) N.M. van Gorkum.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
IJ