ECLI:NL:CRVB:2012:BV1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en korting bijstand wegens marktinkomsten
De zaak betreft hoger beroep van betrokkene en het College tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem over de toekenning en korting van bijstand. De rechtbank had geoordeeld dat betrokkene geen gezamenlijke huishouding voerde met [v. R.] en dat de bijstand vanaf 15 juni 2007 met 2/7 mocht worden gekort vanwege werkzaamheden op de markt. Tevens paste de rechtbank deze korting zelf voorziend toe over de periode van 1 april 2000 tot 15 juni 2007.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt dat betrokkene en [v. R.] een gezamenlijke huishouding voerden, zowel voor als na 15 juni 2007. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht de korting van 2/7 toepaste vanaf 15 juni 2007, omdat betrokkene geen accurate boekhouding bijhield en inkomsten uit werkzaamheden op de markt ontving.
Echter, de Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin de korting ook werd toegepast over de periode van 1 april 2000 tot 15 november 2006. Het enkele feit dat betrokkene een stand huurde op de markt is onvoldoende om de juistheid van de opgegeven inkomsten in die periode te betwijfelen. De Raad wijst op eerdere vrijlatingen vanwege sociale en medische omstandigheden en het ontbreken van bewijs dat de inkomsten niet overeenkwamen met de opgegeven bedragen.
Ten aanzien van de periode van 15 november 2006 tot 15 juni 2007 is de korting van 2/7 terecht, omdat betrokkene ondanks afspraken geen accurate boekhouding voerde. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene en regelt griffierechten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 januari 2012.
Uitkomst: De korting op bijstand over 1 april 2000 tot 15 november 2006 wordt vernietigd, de korting vanaf 15 november 2006 bevestigd.