ECLI:NL:CRVB:2012:BV2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens andere ziekteoorzaak
Appellante, voormalig shopmanager, meldde zich in juni 2004 ziek met klachten aan nek, arm, schouder, rug en bekken. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was op het einde van de wachttijd in juli 2006. Later verzocht appellante om een uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar het UWV weigerde opnieuw omdat de toename niet voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak.
Na bezwaar en een aanvullend medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts bleef het UWV bij haar standpunt dat de toegenomen beperkingen verband hielden met een schildklieraandoening die niet bestond tijdens de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat geen sprake was van een evident nieuwe ziekteoorzaak, maar de Raad oordeelde dat het UWV voldoende medische gegevens had overgelegd die het ontbreken van een oorzakelijk verband overtuigend aantonen.
De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid waarvoor appellante nu een uitkering verlangt, buiten twijfel voortkomt uit een andere oorzaak dan de ziekteoorzaak die haar eerdere arbeidsongeschiktheid verklaarde. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak.